Placeholder image

Jass, Jasz, Jazz?

(Laatst aangepast op 30/05/2016)

Jazz komt van uit Amerika naar Europa en België overgewaaid na de eerste wereldoorlog. en zal zich in de jaren 1920 geleidelijk aan verspreiden. Het is in Bar Le Peroquet van het Theâtre de L’Alhambra te Brussel dat er sprake is van het eerste jazz-concert in ons land. Op 24 januari 1920 treedt er een groep zwarte muzikanten op: “The Mitchell’s Jazz Kings”.

De term “Jass” of “Jazz” is al vrij vroeg gekend in de Kortrijkse regio. Niet dat het nieuwe muziekgenre al op veel bijval kan rekenen. De gevestigde (culturele) elite is niet opgezet met deze nieuwe muziek. Jazz wordt in de beginjaren beschouwd als negermuziek van losse zeden. Dat komt ook tot uiting in de lokale pers (politiek of niet-politiek).
In de krant “Het Kortrijkse Volk” van 14 maart 1920 wordt  dit aldus verwoord: “---de grieken die fijne kunstenaars waren wisten de betekenis van den dans. Moesten zij zien wat men nu danst op zoogezegde high life vergaderingen, zowel als in  de wijkherbergen, zij zouden zeker niet verwonderd zijn dat de Aartsbisschop van Parijs aan zijne diocesanen uitdrukkelijk verbiedt aan Tango, Fox Trott, Jazz en andere onbetamelijke dansen mee te doen….”.
En in Het Kortrijkse Volk van 6 augustus 1922: “---
Als de muziek een uiting is van de verheuging des algemeenen levens, dan hebben wij zeker nooit in een gelukkiger tijd geleefd, dan in den onze.
Men heeft het heele leven als ’t ware op muziek gezet, en nog liefst op dansmuziek en zeker om juist te symboliseren, wat de wereld voor een heksenketel is geworden, staat de bizarre ketelmuziek van de Jazz-band tegenwoordig ’t hoogst aangeschreven.
Elke eeuw krijgt de kunst, die ze verdient. Nieuwe Beethovens, mendelssohns, Mozarts en Haydn’s hebben geen kans meer, de compositeurs van de Affen-foxtrot, de Pyjama-foxtrot, de Diele-onestep, van de Shimmey, enz…, zijn thans aan het woord.
Wat voor een beschaving er van die muziek uitgaat, moge blijken uit het feit, dat de apen-, Schimmey- en Kangeroe-dans thans het meest in de mode zijn.
Wij verheugen ons allen, dat Washington ons thans een stap nader gebracht heeft tot de algemeene ontwapening. Geen legers meer, geen vloot, geen kanonnen en geen soldaten.
Misschien ook…géén oorlog meer.
Maar er is één schaduwzijde.
Zal nu ook de militaire muziek tot het verleden gaan behooren?
Zal de mensheid nu voortaan hopeloos worden overgelegd aan de weeë dansmuziek van de Bar- en Diele-strijkjes?”

Blijft de vraag wanneer het nieuwe muziekgenre zijn intrede doet in de Kortrijkse regio. Al vroeg in de jaren 1920 gebruikt men al de terminologie “Jass-Band”. In een artikel over het gezinsloon stelt J. Deconinck, volksvertegenwoordiger en redacteur van  “Volksrecht” – Weekblad der Socialistische Federatie van het arrondissement Kortrijk – van 31 december 1922 naar aanleiding van een discussie over het gezinsloon het parlement als volgt voor “..den parlementairen “jass-band-ring” waar de wetten vandaan komen…”
En in dezelfde krant van 21 oktober 1923 in een artikel over de “Muziekkunst” door J. Deconinck lezen we “…met de jaarlijkse kermissen wordt er vaak, ja erg veel zelfs gemuziekt. Er wordt getingeltangeld, getuurluit en gejassband…immers dat dient maar om de menschen hun ooren vol te tuiten, het trommelvlies tot barstens toe te laten trillen, de neusvleugels te doen spannen” en het artikel besluit “Laat het een jass-band zijn dat wel. Maar verlangen wij geenszins de kunst?”

In de editie “Volksrecht” van 21 augustus 1921 treffen we het woord “jass”  ook al aan. Alleen is het niet duidelijk hoe dit moet geïnterpreteerd worden.
Op 14 augustus werden te Menen de oorlogsslachtoffers herdacht en gehuldigd. In het verslag in de krant staat “Na onzen turnkring waren het de Oud Strijders die kwamen aangestapt, aan het hoofd van hunne indrukwekkende antimilitaristische vlag met de Marianne, de wapens vernietigend, om alle oorlogen onmogelijk te maken, en met zinnebeeldige “jass”, zijn geweer op de knie in stukken brekende…
Maar met ”Jass” worden ook de Belgische soldaten aangesproken tijdens de eertse wereldoorlog. In een wetsvoorstel van 2 december 1920 door Louis Piérard  , socialistisch volksvertegenwoordiger, aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor het invoeren van een herdenkingsplechtigheid voor de onbekende soldaat lezen we”…..aan een armen onbekenden “Jass”….

 

Wetenswaardigheden, De leiewacht Kortrijk 15 maart 1924

Het ontstaan van den “Jazz-Band”

Roger Graham, de bekende muziekuitgever te Chicago, vertelt als volgt het ontstaan van den “Jazz-Band” waar sommigen zoo grondslag zien van een nieuwe Amerikaansche muziek en waarover enkelen met evenveel geestdrift kunnen praten als over een werk van Beethoven.
Het was in 1914, in het Café Schiller van Sam Hare, in de 31ste straat te Chicago, dat een neger, Jasbo Brown, een aantal muzikanten bij elkaar had gebracht, een soort orkestje dus, dat de menigvuldigde bezoekers moest trachten te verlustigen. Jasbo toonde zich een ervaren acrobaat-muzikant: hij speelde tegelijkertijd picolo en piston. Als hij nuchter was, gaf hij godsdienstige-ortodoxe muziek ten beste, doch wanneer hij eenige glazen jenever binnen had, legde Jasbo er zich op toe de schreeuwenste en onmuzikaalste geluiden uit zijn instrument te lokken. De klanten van M.Hare spoorden Jasbo tot drinken aan, voor de pret, om hem zijn barbaarsche piccolo te doen schreeuwen en Jasbo ging nog verder. Hij zette een inmaakblikje op de monding van zijn piston en de eigenaardige trillingen, die hij daardoor teweeg bracht, tooverden muziek van een bijzonder gehalte, wat voor gevolg had, dat men Jasbo nog meer deed drinken. Nog een, Jasbo! Riep men, wanneer men nog meer van die muziek hooren wilde, en ten slotte klonk het kort af: Nog een, Jass!
De Jazz was geboren en hij verbreidde zich als een loopend vuurtje. Spoedig werd er op gedanst en dat werd genoemd de Jazz-dans. Een componist van Chicago, Shelton Brooks, combineerde dat voor het eerst in een stuk, dat hij noemde: Walking the dogg (met den hond aan ’t wandelen). Enkele tooneelmenschen, tuk of nieuws, vonden dat er partij te trekken was uit de nieuwe uitvinding en zij brachten de Jazz in de vaudevilles op de planken. Spoedig werd de Jazz ook overgenomen door een groot aantal coupletzongers en dat sloeg buitengewoon in bij het Amerikaansch publiek.
Als vervolg van de Jazz-muziek is er nog een ander overeenkomstige soort, die zeer bekend is geworden onder den naam van Blues. De Blues zijn afkomstig eveneens uit Chicago en het was dezelfde Shelton Brooks die de eerste proef leverde: Hesitation Bleu, weldra gevolgd door ontelbare andere.
Toen kwam de oorlog en ook de Jazz deed er aan mee. Luitenant Jim Europe kwam naar de oude wereld met een groot muziekgezelschap en Parijs werd dol op de Jazz. Men kan zeggen dat deze troep heel Frankrijk ,omzette. Voor niemand zijn thans Jazz-muziek en Jazz-dans nog een nieuwigheid. Zij tellen hun apostels bij duizenden hunne leerlingen bij miljoenen. De jazz heeft aan de heele vermaakkunst een nieuw karakter gegeven en de geestdriftige aanhangers voorspellen, dat de Jazz invloed zal uitoefenen op de kunst en de litteratuur.
Tot zoover Roger Graham, die natuurlijk door een Amerikaanschen bril kijkt. Het staat vast, dat  de Jazzband zijn rythmische eigenaardigheid heeft gevonden in de negermuziek. Hetgeen men in Vlaanderen noemt “Ketelmuziek” staat wellicht nog iets hooger dan die Amerikaansche uitvinding.

 

 

 

…en de jazz-band sloeg er lustig op los

Al vroeg in de jaren 1920 doen “Jazz-Bands” hun intrede in het uitgaansleven in de Kortrijkse regio. Op wijkfeesten, kermissen, 1 mei-vieringen, herbergen en andere gelegenheden zorgen “Jazz-Bands” voor de nodige “leute en plezier”. Jazzorkesten treden regelmatig op in de grote danszalen. Bekende danszalen in Kortrijk waren o.a.  De Scala in de Pluimstraat, Olympia in de Noordstraat, de Palace in de Zwevegemstraat en op de Vlasmarkt 35 was er dancing Savoi.

Alhoewel, de term jazzband tijdens de jaren 1920-1930 moet erg breed worden geïnterpreteerd. In die jaren sprak men al van een jazzband over elk orkest die over een drums beschikte. De meeste van die bands hadden echter weinig met het muziekgenre te maken. Meestal ging het om één of meerdere accordeonisten die werden begeleid door een drummer. We kunnen moeilijk spreken van traditionele zwarte jazzmuziek als we het hebben over: “Jaszband” door de blinde gebroeders Baeckelandt (accordeonisten) uit Kortrijk (1925-1926), “Jazz-Bandorkest De Vrije Accordeonisten” uit Thielt (1927), “Jazz-band” met accordeonist Willem Delombaerde met zijn kleine zusters uit Menen (1927), “Jazz-Band” met accordeonist Maurice Calbert uit Wervik (1927), “Jazz “met “Nesten van de Sterre” (1928), ‘Honerjazz’ door Jasbandist Gustaaf Platteau, Klakkaertsreke 29, Kortrijk (1929) enz.
Verder hebben we het raden naar het jazzgehalte van orkesten als Jazzband “Quatro-orchestre” (1926), “Happy-Jazz-Band” (1927), Dixie’s Jazz-Band (1928), “Vlinder-Jazz” met 11 muzikanten (1928), Jazz-Band “Thompson” (1928-1929), Jazz-Band Lindbergh uit Eekloo (1928), Jazz-Negro (1928) enz.
En waar de “De gemaskerde Jazz-Banders” (1927) voor staan hebben we helemaal het raden naar.
En wat te denken van de S.A.R.O.V. – Socialistische arbeiders radio-omroep voor Vlaanderen – die in haar programma van dinsdag 23 september 1930 “The Singing Jazz” aankondigt met nummers die als titel hebben “Leelijke vrouwen”, “Oud België (marche)”, “Marie met een piot”, ….
En op de 1 mei- viering in Heule van de Socialistische Propaganda Club is er zowaar een bal met prachtig jazzorkest bestaande uit 5 muzikanten in een bezetting met viool, klarinet, saxophone, piston en jazz-band (Volksrecht 22 april 1928)

Maar er is ook duidelijk interesse voor de “onvervalschte” Jazzmuziek. Een artikel (Volksrecht 9 januari 1927) met titel “ Een Europese zender in Amerika” vermeldt het volgende goede nieuws: “In de Vereenigde Staten moet het voornemen bestaan een “Europese zender” te bouwen, ten einde de Europeesche radio-luisteraars o.m. van “onvervalschte” Jazz-muziek te laten genieten. Het station zal eene energie hebben van 250 KW, de bouwkosten zullen ruim 10 millioen dollar bedragen.”.
En in Kortrijk wordt bij de S.M. Volksrecht in café Feestpaleis een radio geplaatst (die sterk genoeg is) die de “Jazz- Band” liefhebbers moet toelaten om de zondagen en andere avonden vanaf 21u30 te komen luisteren naar muziek van de “Engelsche Jazzlanden” (Volksrecht 11 juni 1927).
Vermoedelijk was er in het Feestpaleis een groep jazzliefhebbers actief die zich The International Jazz noemden. Dit kunnen we afleiden uit aankondigingen voor jazzoptredens (1928 – 1929) door deze groepering.
Het opluisteren van activiteiten, bals en feesten door “pick-up concert” of “radio-concert” lijkt ook erg in trek te zijn. Zo gaat er bijvoorbeeld in Ons Huis te Harelbeke een groot bal door met den “allerlaatsten Belgian Jazzband-Radio” (Volksrecht 18 mei 1930).

In Dancing Palace, opgericht in 1922, gaan verschillende optredens door met (al of niet) jazzorkesten. In de periode 1930-1940 zijn dat o.a. The Noëllos Jazz-Band, Jazz-Band Roberty, het Jazzorkest onder leiding van Jozef Laebens en Marc Pollet and his Boys.
Marc Pollet blijkt bijzonder populair te zijn geweest met optredens in Kortrijk, Menen, Moeskroen, Bissegem enz.. In 1936 neemt hij in Gent deel aan een jazztornooi met  een orkest van 9 muzikanten waarmee hij ook in de prijzen valt. Ook tijdens en na de oorlog blijft hij optreden met zijn orkest.
Ook de orkesten Roberty en Laebens ( op 21 januari ook in zaal Concordia in de Koning Albertstraat) treden regelmatig op in de regio.
“Vreemde” orkesten krijgen ook een podium in Dancing Palace. Jammer genoeg voor die tijd vergeet men in de advertenties in de pers de namen van die orkesten te vermelden.
Met het karnaval in 1934 (11, 13 en 18 februari) gaan in Dancing Palace 3 grote bals door met een “Vreemd Jass-Band Orkest” dat speelt in de dancings van Oostende en Nice (Frankrijk) en een Jass-Band Orkest van Kortrijk (Publicity 2 februari 1934). In de daaropvolgende jaren treden er nu en dan ( o.a. in 1935 en 1937) “vreemde” jazzorkesten op.


(Publicity, 2 februari 1934)

 

Niet alleen in Dancing Palace gaan optredens door. De Scala (opgericht in 1907) krijgt ook dans- en jazzorkesten over de vloer.  “Oberbayernmuziek” blijkt er wel populairder te zijn geweest. Op 17 november 1934 organiseert “L’Amicale des Officiers de Courtrai” in de stadsschouwburg een bal “avec concours Rhythm Club Orchestre”. In het Vlaams Huis in de Groeningestraat organiseert het Davidsfonds een optreden met het “Vlaams trio en jazz-combinatie Rhythm”. En in datzelfde Vlaams Huis komt in maart 1938 het Duitse jazzorkest onder leiding van zangeres Dora Zilhof optreden.
Maar ook de kleinere herbergen en aangelegenheden laten, vooral tijdens de weekends,  dansorkesten aantreden om voor “leute en plezier” te zorgen.

Ondanks het feit dat de regionale dagbladen vol staan met advertenties en aankondigingen van optredens van “Jazz-Bands” op allerlei festiviteiten en aangelegenheden, de verkoop en aankoop van “Jazz-Bands” (drumstellen), accordeons voor “Jazz-Bands” en “Jazz-Bands” die zich zelf aanprijzen voor het opluisteren van feesten is voor velen de nieuwe muziek nog onverteerbaar.
Zo maakt Volksrecht van 13 november 1927 zich zorgen over de  “De toestand der jeugd”
“…en verder heeft de jeugd nog een toevluchtsoord, waar de onzedelijkheid hoogtij viert: het zijn de dancings en jazz-band’s. Het is er een wedstrijd om het schoonst, de meest onbehoorlijke dansen uit te voeren.
Daar wordt de rijke burgerij nageaapt. Korte zijden rokjes, zijde blousjes zonder mouwen, gedecolleteerd tot midden in de borst, zijden kousen met “charleston”-schoenen, waar de voet letterlijk in geprangd zit. De vingeren vol met ringen, de hals met kettingen versierd, zwart aan de oogen, rood aan de lipjes en eene poeierrlaag van een millimeter dik.
De jongens hebben er ook een aardje van: “charleston”-broeken, zoo wijd, dat er wel zes beenen in kunnen, een spannende vest, een hoed vol plooien en builen, “charleston”-schoenen en zijden zokjes. De vingers versierd met groote ontzaglijke knopringen, en verder gegrimeerd als een paljas.”
En in Menen (Volksrecht 4 oktober 1931) klaagt men er over dat ” talrijke jonge elementen die goeie muzikanten hadden kunnen worden de weg van de muziekkunst hebben verlaten om zich helemaal over te geven aan de banale muzikale (of ze muzikaal zijn?) uitvoeringen die men jazz noemt.”….en er nog geld mee verdienen ook
“Volksrecht” van 12 juni 1932 is er dan weer van overtuigd dat “Gemeenschaps- en volksdansen de gemeenschapsband versterken en niet de jazzbandmanier van dansen”.
Maar even buiten de regio is de krant “De Poperinghenaar” van 14 juli 1935 wel bijzonder hard in haar kritiek (zie afbeelding).